Orgels in Rijssen (13): Psalmen en gezangen
Foto: Picasa

Orgels in Rijssen (13): Psalmen en gezangen

RIJSSEN - In de tijd voor de Franse Revolutie ook in ons vaderland losbarstte begon de burger zich bewust te worden van zijn positie.Men accepteerde niet langer dat de aristocratie als vanzelfsprekend de dienst uitmaakte. Het kerkvolk begon de berijming van Datheen toch ietwat te ouderwets en taalkundig als gebrekkig te beschouwen.

Toen stadhouder Willem V tijdens een kerkdienst gemelijk zijn deftige Datheen-psalmboek dichtsloeg vanwege een couplet dat hem niet aanstond, nam de Staten Generaal in 1762 het besluit dat er een nieuwe berijming moest komen. Destijds was gedichten maken in gezelschappen de mode en de groep Laus Deo Populo (Tot Lof van God, tot heil des volks) had al heel wat psalmen opnieuw berijmd. Dan waren er nog de arts Johannes Eusebius Voet en de edelsmid Hendrik Ghijsen, die indruk gemaakt hadden met hun berijmingen.

Sleutelen
Een commissie, koos daaruit de 150 Psalmen, 58 van eerstgenoemd gezelschap, 82 van Voet en 10 van Ghijsen. Er werden ‘Enige gezangen’ toegevoegd. Er werd ook gesleuteld aan de melodieën, verhogingen werden toegevoegd en maatstrepen. J. Worp leverde een populaire koraalbundel met vier elementen: voorspel, koraal (4 stemmig), ‘tussen de verzen’ en ‘sluiting’. De berijming werd in 1773 in gebruik genomen. Dit psalmboek was een kind van haar tijd, (welke berijming ontkomt daar niet aan?), de deugdzame burger met godsvrucht “Dat w’ons gedragen als ’t behoort”, kreeg veel aandacht, de Schepper werd Opperwezen genoemd. Veel ‘brave-Batavieren-gedoe’.

Onzingbaar
Toch was het een hele verbetering, al bleef het hemeltergend gesleep en geschreeuw nog lang in de mode. Tussen de versregels nam de goegemeente lange pauzes waarin de organist nog wat noten kon weggeven. Het oorspronkelijke, hele en halve notensysteem bleef taboe, bij sommige kerkgenootschappen tot op de huidige dag. Veel melodieën werden onzingbaar geacht, niet haalbaar voor een voorzanger zonder orgel, zonder microfoon en zonder geluidsversterking. Er was zelfs een advieslijst, die zich beperkte tot de psalmmelodieën 25, 36, 42, 65, 66, 81, 84, 119, 134 en 150. Er ging hier en daar een afkeurend geschrei op, in Maassluis kwam het tot een heus psalmenoproer.
Toen kwamen de gezangen. Voorstanders wezen op Bijbelteksten als in Efeziërs 5: 19: ‘sprekende onder elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen’. In veel huizen in de Achterhoek en Twente en zeker ook in Rijssen waren de liederen van Willem Sluiter, (1627-1673) predikant in Eibergen, zeer populair, ze werden ‘s avonds bij het haardvuur gezongen. In de huizen, in gezelschappen, maar niet in de kerk. Toch werd het besluit genomen een gezangenbundel samen te stellen. Weer kwam er een commissie, voorzitter was Ahasverus van den Berg. In die Franse Tijd kwam er scheiding tussen kerk en Staat, het besluit werd door de kerkelijke synode genomen. Niet door de Staten Generaal. De provinciale synoden kregen veel zeggenschap over de manier van invoeren en uitvoeren. In 1805 was de bundel voltooid.

Gerrit Kraa

Meer berichten